Fragmenten

FRAGMENTEN

Uit ”De val van de koning” (Johannes V. Jensen)

pp. 38-39:

           ... Toen Anders Graa het paard had doodgeschoten, kreeg de rakker het onder behandeling. Hij slachtte het en sneed het in stukken buiten in de sneeuw, Mikkel stond toe te kijken.

           Het was een vroege maanheldere vriesochtend. De sneeuw lag zover het oog reikte in het spookachtige zwakke kaarslicht vanuit het westen, in de wijde omtrek blauwde de sneeuw, en op de heuvels lag zij wit als spinrag, het viel niet uit te maken wat witte glans en wat onder sneeuw bedolven land was. Het was zo koud dat de sneeuw luid onder je voeten kraakte, de koude tastte je vingers aan als een druipend zuur. Maar door de wei kroop het riviertje open en zwart, onherstelbaar levend te midden van de doodgevroren wei.

           De rakker draaide het paard van Anders Graa op de rug en begon het open te snijden. Het bloed vormde een grote bruine poel die wegzonk in de smeltende sneeuw, de vorst deed het bleekrode schuim alras tot ijs stollen. Bij elke snee van het mes gutste er een kleur uit het dampende paardelijf, het vlees tintelde met prachtige blauwe en rode kleuren. Kijk, de vezels bleven bewegen, samentrekken en sidderen in de vrieslucht, de doorgesneden spieren kronkelden als wormen in een snorrend vuur. De lange luchtpijp kwam voor de dag, het gebit vertoonde zich als vier regels met geheimzinnige letters. Er kwam een fijn lichtrood vlies tevoorschijn met een patroon van talrijke blauwe aderen als een rivierenrijk land vanuit de lucht bezien. Toen de borst werd geopend, doemde er een soort holte op die met grote witblauwe vliezen was behangen, bruin en zwart bloed parelde uit de gaatjes van de dooraderde wanden, het gele vet stond van onder tot boven in langwerpige druipende trossen. De lever was bruiner dan het bruinste bruin ter wereld, de milt dook op, blauw en beschimmeld als de nacht en de melkweg. En er waren nog veel meer pure kleuren, blauwe en groene ingewanden, baksteenrode en okergele delen.

           Alle weelderige rauwe kleuren van het oosten; geel als het zand van Egypte, turkooisachtig als de hemel boven de Eufraat en de Tigris; alle wulpse kleuren van de Oriënt en India bloeiden midden in de sneeuw op onder het smerige mes van de rakker.

Uit “School voor gekken” (Sasja Sokolov)

pp. 70-73:

Ik herinner me

[wordt vervolgd]

Copyright © All Rights Reserved